|
Vermogensbeheer advies
De veiligste 50 banken ter wereld volgens Global Finance
2 september 2010
1
KfW (Germany)
2
Caisse des Depots et Consignations (CDC) (France)
3
Bank Nederlandse Gemeenten (Netherlands)
4
Zuercher Kantonalbank (Switzerland)
5
Landwirtschaftliche Rentenbank (Germany)
6
Rabobank Group (Netherlands)
7
Landeskreditbank Baden-Wuerttemberg - Foerderbank (Germany)
8
Nederlandse Waterschapsbank (Netherlands)
9
NRW.Bank (Germany)
10
Royal Bank of Canada (Canada)
11
National Australia Bank (Australia)
12
Westpac Banking Corporation (Australia)
13
Commonwealth Bank of Australia (Australia)
14
Banco Santander (Spain)
15
Toronto-Dominion Bank (Canada)
16
Australia and New Zealand Banking Group (Australia)
17
ASB Bank (New Zealand)
18
BNP Paribas (France)
19
HSBC Holdings (United Kingdom)
20
Credit Agricole (France)
21
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (BBVA) (Spain)
22
Scotiabank (Canada)
23
DBS Bank (Singapore)
24
Banco Espanol de Credito S.A. (Banesto)
(Spain)
25
Caisse centrale Desjardins (Canada
26
Credit Suisse (Switzerland)
27
Nordea (Sweden)
28
Caja de Ahorros y Pensiones de Barcelona (Spain)
29
Svenska Handelsbanken (Sweden)
30
BNY Mellon (United States)
31
Oversea-Chinese Banking Corporation (Singapore)
32
United Overseas Bank (Singapore)
33
Pohjola Bank (Finland)
34
Barclays Bank (United Kingdom)
35
Intesa Sanpaolo (Italy)
36
Bank of Montreal (Canada)
37
CIBC (Canada)
38
National Bank Of Kuwait (Kuwait)
39
Deutsche Bank (Germany)
40
JPMorgan Chase (United States)
41
Société Générale (France)
42
Wells Fargo (United States)
43
Banque Federative du Credit Mutuel (BFCM) (France)
44
Landesbank Baden-Wuerttemberg (Germany)
45
Credit Industriel et Commercial (CIC) (France)
46
Nationwide Building Society (United Kingdom)
47
U.S. Bancorp (United States)
48
Shizuoka Bank (Japan)
49
Northern Trust (United States)
50
National Bank of Abu Dhabi (UAE)
Turbo's
Bron: DePers, 12 september 2008
Je hebt snel, sneller, snelst en sneller dan snelst: turbo. Een flitsende naam voor een beleggingsvorm die erg populair schijnt te zijn. Met een turbo koop je niet een heel aandeel, maar een stukje ervan. Financieel expert Marcel Tak (IEX) weet hoe het precies in zijn werk gaat: ‘Stel je voor, een aandeel X kost twintig euro. Je koopt een stukje, bijvoorbeeld twee euro, van het aandeel en de bank financiert de rest, 18 euro.
Met jouw aandelen doe je mee met de koersontwikkeling. Als het aandeel in waarde stijgt en je het weer verkoopt, gaat die 18 euro terug naar de bank en houd je de winst.’
‘Het enige is dat de bank een veiligheidsmechanisme inbouwt’, vervolgt Tak. ‘Als het aandeel in waarde daalt en onder een bepaald bedrag – de ‘stoploss’ – komt, dan stopt de bank met jouw turbo. Is de waarde van het aandeel X dan 19 euro, krijg je maar 1 euro terug van de twee die je had ingelegd en ben je de helft van je inleg kwijt. Je kunt kiezen uit meerdere stoploss-niveaus. Met een lage stoploss loop je minder risico dat je turbo’s door de bank gestopt worden. Maar tegelijk moet je dan ook meer zelf inleggen per aandeel en kun je weer minder aandelen kopen voor je geld.’
Turbo’s zijn te koop via ABN-Amro. Met een paar klikken heb je ze geregeld. Ook de Commerzbank en Citibank bieden deze aandelenproducten op de markt aan, onder de naam Speeders. ‘Met turbo’s kun je in korte tijd een grote winst maken en je loopt niet het gevaar dat je meer kwijt kunt raken dan je hebt ingelegd. Maar je kunt ook binnen een week of dag je inleg kwijt zijn als je aandelen in waarde dalen tot onder de stoploss’, waarschuwt Tak.‘
En als het aandeel een dag later weer gestegen is, profiteer je daar niet meer van omdat je turbo niet meer bestaat. Bedenk ook dat je de bank rente betaalt voor de lening van het restbedrag en door die rente eet je langzaam een stukje van je inleg op. Daarom zijn turbo’s niet zo geschikt voor de lange termijn.
Turbo-beleggen klinkt als doe-het-zelf-beleggen. Je koopt ze niet in pakketten maar per stuk en je kunt zelf bepalen waarin je belegt. Tak: ‘Het leuke van turbo-beleggen is dat je in veel meer dan alleen aandelen kunt beleggen. Je kunt het zo gek niet bedenken: olie, valuta, varkensvlees, goud. Essentieel is wel, dat je weet waarom je welke turbo’s kiest en de markt zelf goed blijft volgen. Een verkeerde visie wordt keihard afgestraft.’ Je kunt het zo gek niet bedenken: olie, valuta of varkensvlees.
Beurskoersen in Midden-Oosten onderuit
13 oktober 2008, De Pers
De beurzen in het Midden-Oosten leden zondag opnieuw stevige verliezen door aanhoudende zorgen over de financiële crisis. Op de beurs in Dubai sloot de hoofdindex 5,4 procent lager. De beurs in Saudi-Arabië kon niet profiteren van een renteverlaging door de Saudische centrale bank. De beleggers in het Midden-Oosten deden hun aandelen in de verkoop nadat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zondagnacht niet tot concrete voorstellen kwam om de crisis te beteugelen. Ook de fors lagere olieprijs zette het sentiment onder druk. De olieprijs is met bijna 8 procent gedaald tot onder de 80 dollar per vat.
Vorige week leden de beurzen in de Golfregio ook al zware verliezen, in navolging van de dramatische koersdalingen in Azië, Europa en de Verenigde Staten. De Nikkei in Tokio daalde vrijdag het sterkst sinds 1987 en de Dow sloot op het laagste punt in vijf jaar.
De Verenigde Arabische Emiraten maakten zondag bekend alle banktegoeden te zullen garanderen. Ook wordt extra liquiditeit in de markt gepompt om het banksysteem draaiende te houden. In Saudi-Arabië ging de rente zondag met een half procentpunt omlaag tot 5 procent. De hoofdindex in Riyad daalde echter 1,6 procent tot het laagste niveau sinds medio 2004.
De grootste verliezen werden geleden op de beurs in Tel Aviv. De Israëlische beurs daalde ruim 15 procent, het zwaarste verlies in elf jaar. De handel in Israël werd zondag geopend na een vakantie van vier dagen. In Doha verloor de beurs 7,2 procent en de beurs in Egypte daalde 7,4 procent.
Beleggen in Dubai en andere rijke oliestaten
Bron: FD 28-02-2008
Meeprofiteren van de olieweelde in de Perzische Golf. Dat kon tot voor kort alleen door te beleggen in baggerbedrijven die veel werk verzetten in het Midden-Oosten of vastgoedproducten die zich op booming Dubai richtten. Merrill Lynch introduceert een certificaat dat belegt in aandelen uit het gebied zelf.
Het kan niet op in de Golfregio. De hoge olieprijs heeft het gebied slapend rijk gemaakt en dat is te merken. Het meest in het oog springend zijn de megalomane wolkenkrabbers en exentrieke eilandengroepen die met grote regelmaat verrijzen.
Maar ook wat minder zichtbaar vloeien de oliedollars rijkelijk. Investeringsmaatschappijen van de oliestaten steken miljarden in westerse bedrijven, zoals Citigroup, Deutsche Bank, Sony, AMD en de Zweedse beurs. Omgekeerd verdringen westerse multinationals elkaar om in het gebied te investeren.
Als nieuw handelscentrum trekken de landen rond de Perzische Golf dan ook de belangstelling van beleggers. Merrill Lynch speelt hierop in met het Gulf Investible Index Certificaat, dat volgende week van start gaat en dagelijks verhandelbaar wordt in Amsterdam.
Wat is het?
Het certificaat is gekoppeld aan de Merrill Lynch Gulf Investible Index. Deze telt twintig aandelen met een notering in Abu Dhabi, Bahrein, Oman, Qatar, Dubai en Koeweit. De nadruk ligt op de laatste twee landen.
Het gaat om fondsen met een marktkapitalisatie van minimaal één miljard dollar en een gemiddelde dagomzet van ten minste tien miljoen dollar.
Met een weging van slechts 0,7 procent, speelt de olie- en gassector in de index een opvallend kleine rol. Het leeuwendeel betreft banken, hypotheekverstrekkers en vastgoedmaatschappijen. Vreemd is dit niet, want door de bevolkingsgroei en toestroom van buitenlanders neemt de vraag naar onroerend goed een grote vlucht.
Wat levert het op?
Terwijl de meeste beurzen in 2007 door het ijs zakten, mocht de Gulf Investible Index 46,3 procent bijschrijven. De beursprestaties lopen per land wel flink uiteen.
De aandelenmarkten van Bahrein en Koeweit zetten de stijgende lijn recentelijk nog onverminderd voort. De indices van Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten daarentegen vertonen grote schommelingen. Het toekomstige rendement laat zich dus moeilijk voorspellen.
Wat zijn de risico’s?
Het certificaat kent relatief weinig spreiding. Je belegt in slechts één regio, waarbij de financiële sector is oververtegenwoordigd. Bovendien herbergt de index slechts twintig fondsen, waarvan er vier een weging van meer dan 12 procent hebben.
Onroerend goed-maatschappijen zijn stevig vertegenwoordigd, met name in Dubai. Mocht zich in Dubai een onroerendgoed-zeepbel ontwikkelen, dan heb je een probleem. Realiseer je verder dat Dubai, dat ruim 30 procent van de index vertegenwoordigt, kampt met een sterk oplopende staatsschuld.
Wat kost het?
Merrill Lynch rekent een beheervergoeding van één procent per jaar. Dat is relatief laag vergeleken met het gemiddelde beleggingsfonds. De minimum inleg bedraagt 100 euro.
Zijn er alternatieven?
Er zijn nog nauwelijks gespecialiseerde producten beschikbaar die zich richten op de Golfregio. Wel bestaan er diverse beleggingsfondsen die beleggen in het Midden-Oosten, eventueel aangevuld met Afrika en/of Europa. Deze bieden meer spreiding, maar zijn doorgaans wel duurder.
Een groot nadeel van het certificaat is dat moeilijk valt te doorzien waar je precies in belegt.
Kuwait Finance House, Amlak Finance en Emaar Properties zijn in de regio bekende namen. Maar wat deze bedrijven precies doen, hoe de geldstromen lopen en wie aan de touwtjes trekt, blijft voor de gemiddelde Nederlandse belegger gissen.
Beursgang haven Dubai breekt records
Bron: ANP 21-11-2007
Voor de beursgang van havenbedrijf DP World uit Dubai is internationaal grote belangstelling. Woensdag werd bekend dat er voor 4,96 miljard dollar (3,34 miljard euro) aan aandelen zijn verkocht.
Daarmee is het de grootste beursintroductie in de geschiedenis van het Midden-Oosten.
De regering van Dubai is eigenaar van DP World. Ze heeft ruim 3,8 miljard aandelen in omloop gebracht die bijna een kwart van het bedrijf vertegenwoordigen. Met een uitgifteprijs van 1,30 dollar per aandeel heeft DP World een marktwaarde van 21,58 miljard dollar, zo blijkt uit een verklaring die de onderneming uitgaf.
DP World is actief in 22 landen, waar het in totaal 42 terminals runt. Het containervervoer neemt wereldwijd sterk toe door de grote vraag naar producten uit onder meer Azië. DP World mikt de komende jaren op een verdubbeling van zijn capaciteit naar 90 miljoen containers en wil onder meer uitbreiden in China.
DP World gaat in Nederland samen met vier rederijen een containerterminal op de Tweede Maasvlakte exploiteren. De terminal wordt naar verwachting in 2013 in gebruikgenomen.
Online Beleggen: Keuze voor een online broker
Online Brokers concurreren om uw geld. Het loont beslist om de tarieven te vergelijken. Daarbij is de geleverde service uiteraard ook een punt dat meegewogen dient te worden.
U betaalt het minst voor uw transacties bij Today's Brokers. Binck is het populairst bij de doe-het-zelvers onder de beleggers.
Uw Beleggingsprofiel
Voor dat u start, dienen twee vragen te worden gesteld:
 Wat is het doel van het vermogensbeheer? (Hoeveel wilt u verdienen en waarvoor?)
 Wat is uw risicotolerantie? (Hoe erg is het als er over enig jaar een negatief rendement wordt behaald?)
Daaruit komt een beleggingsprofiel te voorschijn: een aanduiding van ‘het type belegger’.
Het beleggingsprofiel varieert van “zeer defensief” tot “zeer offensief”. De defensieve belegger zal een klein risico willen lopen, zijn investering (in nominale termen) te verliezen, en zal daarvoor genoegen moeten nemen met een kleinere kans op een hoger rendement; de offensieve belegger zal tegenover een grotere kans op een hoger rendement bereid moeten zijn een duidelijk grotere kans op het verliezen van een deel van zijn investering te accepteren
Hoe kiest u een fonds?
Belangrijk voor een belegger die een keuze maakt voor een beleggingsfonds is dan ook hoe de fondsmanager het beleggen aanpakt. Daarnaast is het verstandig niet alleen zijn rendementen te bekijken, maar ook te zien of hij zijn beleggingsbeleid consequent doorvoert. Bekijk verder hoe een dergelijk beleggingsfonds het in slechte tijden (bijvoorbeeld 2000 of 2001) heeft gedaan. Dat zijn enkele graadmeters om de keuze voor een fonds te vergemakkelijken.
Websites zoals die van Morningstar kunnen de belegger daarbij verder helpen. Ondanks deze criteria kleeft er altijd een risico aan beleggen. Immers, een harde garantie dat resultaten uit het verleden in de toekomst weer worden behaald, heeft de belegger niet. http://www.morningstar.nl
Buitenlandse fondsen
Nederlandse fondsen doen het niet slecht, maar wie de website van Morningstar (een onafhankelijk bureau dat wereldwijd beleggingsfondsen beoordeelt) bekijkt, ziet dat er buitenlandse beleggingsfondsen zijn die over drie, vijf jaar en zelfs zeven jaar betere rendementen behaalden.
Tussen die buitenlanders zitten opvallend veel aanbieders van fondsen uit Scandinavië. Bijvoorbeeld ODIN, East Capital en Skagen behalen fenomenale rendementen van soms meer dan 100 procent. Voor elke euro ingelegd dus sowieso in de afgelopen drie jaar twee euro terug.
In totaal zijn er pakweg 2.500 beleggingsfondsen in Nederland te koop, terwijl er wereldwijd tienduizenden fondsen bestaan. Beleggingfondsen zijn in ons land populair. In 2006 stak procent van de beleggers in Nederland zijn geld in een beleggingsgfonds.
Het marktaandeel van buitenlandse fondsenaanbieders is met negen procent volgens onderzoeksbureau Millward Brown nog beperkt, maar groeiende. Volgens Fonds. nl, een internetplatform voor beleggingsprofessionals, kiezen beleggers vaak een fonds uit basis van naam in plaats van prestaties. Daarnaast, zo zegt het platform, zijn er maar weinig Nederlandse aanbieders die de wereldtop behoren.
Via internet
U hoeft geen doorgewinterde, steenrijke belegger te zijn om geld te kunnen steken in buitenlandse fondsen. U hoeft evenmin avond na avond beleggingsblaadjes door te worstelen op zoek naar de parels uit verre streken. Wel noodzakelijk is internetverbinding. Daarmee weet u snel of het aanbod van uw huisbank in uw behoeften voorziet. Qua buitenlandse fondsen valt dat bij de grote banken in Nederland een beetje tegen. Veel keus hebben zij als ze al ‘buitenlanders’in het aanbod hebben.
Fondsensupermarkten zoals SNS Fundcoach (ruim 350 fondsen) en Fundix (772 fondsen) bieden een veel ruimere sortering. Een rekening openen is abc’tje en beleggingsfondsen zijn met een paar muisklikken ge- of verkocht. Deelname vaak al vanaf enkele tientjes maand. En de kosten? SNS Fundix brengen de klant geen rechtstreekse kosten in rekening. Zij ontvangen een deel van de zogeheten beheervergoeding, die de fondsen van belegger vragen.
Uw risico
U loopt koersrisico (ook bekend als marktrisico). Dit is het risico op een daling van de (markt-)waarde van de activa. Onderscheid kan worden gemaakt naar absolute daling (de aandelen dalen in waarde) dan wel relatief ten opzichte van een benchmark. Als benchmark wordt in veel gevallen een (bekende) beursindex gehanteerd.
Met dit risico wordt iedere belegger geconfronteerd: (bijna) elke belegging kan in waarde dalen. Tot op zekere hoogte is er meestal wel een methode te vinden om dit risico te reduceren, doch daaraan zijn vrijwel altijd kosten verbonden, als was het maar dat door het reduceren van dat risico de kans op een hoger rendement (wederom absoluut of relatief) geheel of gedeeltelijk teniet gedaan wordt.
Een voorbeeld: indien een belegger een portefeuille aandelen aanhoudt, en hij het absolute koersrisico (dus de kans op koersdalingen) wil verminderen, dan kan hij dat bereiken door het kopen van een put-optie. Hij verwerft dan het recht om die aandelen voor een vastgestelde prijs te verkopen. Hij heeft daarmee dus een "bodem" onder de waarde van zijn portefeuille gelegd. Echter, het kopen van die put-optie kost geld (de premie), en daardoor wordt het rendement op zijn portefeuille dus in elk geval lager.
Aan de andere kant behoudt hij, als de aandelen in koers stijgen, die waardestijging (minus dus de betaalde premie).
Indien later (bij het bereiken van de expiratiedatum van de optie) blijkt dat hij de bescherming die hij met die optie verkregen heeft, niet nodig heeft gehad, dan is die optie overbodig geweest. Zijn rendement over die periode is echter verminderd met de kosten van de optie.
In vergelijking met de belegger die die optie niet gekocht heeft, heeft hij het slechter gedaan. (Uiteraard ligt de situatie geheel anders indien de aandelen zijn gezakt tot een zodanig niveau dat de optie bescherming heeft geboden: dan is de belegger met de optie beter af, tot aanmerkelijk beter af.
Hij kan ook de aandelen op termijn verkopen. Hij weet daarmee al wat hij er alsdan voor krijgt. Omdat zo'n termijncontract voor hem zowel een recht tot verkoop als een plicht tot verkoop impliceert (en voor zijn tegenpartij een recht op levering zowel als een plicht tot geleverd krijgen) zijn de kosten van een termijncontract (aanmerkelijk) lager. Daar staat tegenover dat de belegger een koersstijging tot boven het in het termijncontract genoemde koersniveau verliest.
Bij het relatieve koersrisico spelen dit soort afwegingen evenzeer. De belegger die niet zozeer denkt in termen van "absoluut rendement" doch eerder in termen van "rendement van mijn portefeuille versus het rendement van mijn benchmark", kan besluiten het relatieve koersrisico tot nagenoeg nihil te reduceren door geheel conform die benchmark te beleggen. Hij bereikt daarmee dat zijn rendement (nagenoeg) gelijk zal zijn aan dat van de benchmark, maar hij geeft daarmee tevens de kans op dat zijn rendement hoger zal zijn dan dat van de benchmark.
Alvorens men het absolute koersrisico kan gaan "managen" zou dit gekwantificeerd moeten worden. Hiervoor dient men in feite terug te vallen op het historische verloop van de ontwikkeling van koersen. De veronderstelling is dan dat als er is vastgesteld hoe groot de gemiddelde beweeglijkheid van koersen is (en daarmee van fluctuaties in de marktwaarde van de beleggingen), er met behulp van statistische technieken veronderstellingen kunnen worden gedaan over de toekomstige beweeglijkheid ervan.
In de praktijk kan dit aldus worden uitgewerkt, dat als vastgesteld is dat de waarde van een beleggingsportefeuille gedurende de afgelopen x handelsdagen met gemiddeld 5% per dag fluctueerde, met 95% zekerheid kan worden gezegd dat die de volgende dag met niet meer dan 2 x 5% = 10% (naar beide kanten) zal fluctueren. Met andere woorden: deze portefeuille, die nu EUR 100 miljoen waard is werd de afgelopen tijd elke dag gemiddeld 5% meer of minder waard, en op basis daarvan kunnen we ervan uitgaan dat hij morgen 95% kans heeft dat hij een waarde tussen de EUR 90 en 110 miljoen zal hebben. Op een termijn van twee dagen kan die berekening voortgezet worden: de waarde zal dan, met dezelfde mate van statistische kans, tussen EUR 81 mln en EUR 121 mln liggen. (EUR 90 miljoen -10% en EUR 110 miljoen +10%.)
Deze methode (hoewel uiteraard in de praktijk aanmerkelijk meer gedetailleerd) ligt ten grondslag aan het begrip "Value at Risk", waarmee veel banken de gevoeligheid van (een deel van) hun activa in een getal trachten te vatten. Een manager van een bank kan dan voor "zijn" activiteiten een risicobudget toebedeeld krijgen: hij mag dan een volgens een dergelijke methode berekend bedrag niet overschrijden. (Opgemerkt wordt dat hierbij vaak berekeningen worden uitgevoerd met meerdere perioden als basis: over bijvoorbeeld de laatste 90 handelsdagen tot de laatste 5 handelsdagen. Hiermee worden recente grotere koersfluctuaties "in beeld gebracht".)
De hoogte van een dergelijk risicobudget hangt samen met de beweeglijkheid (volatiliteit) van de waarde van de portefeuille, en van de termijn die naar schatting nodig is om, in geval van gedwongen verkoop, die verkoop inderdaad te effectueren.
Indien dat risicobudget overschreden dreigt te worden, zal de manager maatregelen moeten nemen. Welke methoden daarvoor geëigend zijn, zal van de aard van de portefeuille afhangen. Soms zal (gedeeltelijke) verkoop het beste zijn, soms het afdekken met opties of termijncontracten.
Het beheersen van het relatieve koersrisico is (in beginsel) eenvoudiger: hiervoor kan direct gekeken worden naar het verschil in ontwikkeling van de koersen van de betreffende benchmark versus die van de beleggingsportefeuille. Die verschillen kunnen worden uitgedrukt in een "mate van beweeglijkheid" die vervolgens voor de portfoliomanager (de instelling of functionaris die die beleggingsportefeuille beheert) als risicobudget kan gelden.
Ook hier geldt dat er aan het elimineren van dit risico "kosten" verbonden zijn: indien met geen relatief koersrisico wenst te lopen, kan men kiezen voor een passieve beleggingsstijl. Doch daarmee raakt men tevens de kans op een hoger rendement dan dat van de benchmark kwijt. De prijs is weliswaar het prijsgeven van een kans, dock ook een kans heeft, in deze context, een waarde.
Een portfoliomanager die zijn tracking error ziet toenemen, en constateert dat hij de grenzen van zijn risicobudget nadert, zal bijvoorbeeld zijn beleggingsstijl moeten aanpassen, door beleggingen met een grotere volatiliteit te verruilen voor beleggingen met een kleinere volatiliteit. (Hij zal bijvoorbeeld aandelen moeten verkopen ten gunste van obligaties. Een variant op een dergelijke situatie deed zich, tot op zekere hoogte, in 2003 voor toen de Pensioen- en Verzekeringskamer bij een aantal Nederlandse pensioenfondsen aandrong op het verminderen van het percentage aandelen in de beleggingsportefeuille.)
|